10 tips om je kamerplanten te verzorgen in de winter

In de winter is het vroeg donker. De zon staat overdag lager en straalt minder krachtig dan in de zomer. Net zoals wij ons terugtrekken met een dekentje op de bank, hebben planten ook meer behoefte aan rust in deze periode. Dat betekent dat je anders voor je planten moet zorgen dan in de zomer. Dat is belangrijk, want anders is de kans groot dat een aantal van je groene vrienden de volgende lente niet halen. Hieronder vind je tien tips waarmee je planten, net als jij, niets tekortkomen tijdens de donkere dagen.

1. Laat ze meer met rust

Net als veel dieren gaan ook veel planten in een soort winterrust. De dagen zijn korter en het licht is minder fel overdag. Doordat er minder licht is, remt de fotosynthese af. Planten produceren daardoor minder energie om actief te zijn. Het verzorgen van je planten moet in de winter daarom een tandje omlaag en daarmee begin je al in de herfst. Je planten wíllen niet groeien, dus doe daar dan ook je best niet voor. Sommige planten groeien tijdelijk zelfs helemaal niet. Dat je in deze periode wat bladuitval ziet, is vaak niet erg, zolang het niet te veel bladeren zijn.  

2. Let op de lichtinval

Doordat de zon lager staat in het najaar en de winter, kan het zijn dat een plant die in de zomer behoorlijk wat licht ontving, nu ineens de hele dag in de schaduw staat. Als het een plant is die afkomstig is uit de tropen, dan vindt hij dat meestal niet zo fijn. Hij laat dit merken door zijn blad te verliezen. Kijk of je dit exemplaar op een lichter plekje kunt zetten, zodat je alsnog tegemoetkomt aan zijn lichtbehoefte. 

Een plant die halfschaduw staat in de zomer, kan in de winter min of meer in het donker komen te staan. Alle bladeren worden langzaamaan flets en geel en vallen op den duur uit.  Nieuwe blaadjes komen niet meer goed door en de stengels hangen slap. Dat zijn allemaal signalen van te weinig licht. Zet ook zo’n plant dichter bij natuurlijk licht. Een plant die in de zomer op het noorden of het oosten staat, mag in de winter zelfs best op het zuiden. Zet hem, zodra de eerste sterkere zonnestralen doorbreken in de lente, wel weer gauw terug op zijn oude plek. Anders verbranden de bladeren. 

3. Geef minder – en zeker geen koud- water

Planten hebben in de winter echt minder water nodig. Ga over naar één keer in de week water geven (in plaats van bijvoorbeeld twee keer in de week in de zomer). Planten die al minder frequent water nodig hadden, geef je per keer wat minder. 

Cactussen kun je gerust nóg minder water geven, zij zijn gewend om hun watervoorraad aan te spreken vanaf het najaar. De meeste cactussen kun je zelfs helemaal droog laten staan. Als je favoriete cactus nou heel erg gaat verschrompelen en/of krimpen, geef hem dan toch een klein slokje water. In de lente begin je weer met het opbouwen van de watergift. 

Twijfel je of een plant water nodig heeft? Steek dan je vinger 4 cm diep in de aarde. Als het daar nog vochtig voelt, wacht dan even met water geven. Pas hoe dan ook op met gedachteloos water geven. Geef planten ook geen water direct uit de kraan of van buiten. Het water is dan echt te koud. Laat het water eerst op kamertemperatuur komen. Een koude douche in de winter vindt niemand fijn, ook je planten niet.  

4. Laat plantenvoeding achterwege

Doordat er in het najaar en de winter minder fotosynthese plaatsvindt, is een plant veel minder actief in deze periode. De wortels doen bijvoorbeeld niet zo veel, behalve de plant aarden en wat water opnemen voor de celspanning. Extra voeding blijft gewoon in de grond zitten, en daar doet het vervolgens meer kwaad dan goed. Ga je toch stug door met wekelijks plantenvoeding geven, dan heb je kans dat de wortels van de plant beschadigd raken door het teveel aan voedingsstoffen in de aarde. Ze gaan dan in het slechtste geval een onwenselijke chemische verbinding aan met andere aanwezige stoffen, waardoor wortels bijvoorbeeld kunnen verzuren. Kortom: plantenvoeding geef je alleen als ze extra voeding nodig hebben en dát is in de lente en de zomer. 

5. Zorg voor een goede luchtvochtigheid

We zetten onze verwarming lekker hoog zodra het kouder is, maar daardoor wordt de lucht in huis een stuk droger. De ideale luchtvochtigheid in huis ligt tussen de 40% en 60%. Dat vinden niet alleen onze ogen en huid fijn, maar planten ook. Veel van onze kamerplanten zijn afkomstig uit in tropische gebieden waar het juist heel vochtig is. 

Het is handig om een hygrometer in huis te halen, waarop je ziet hoe het met de luchtvochtigheid in je huiskamer is gesteld. Bij een te laag percentage zijn er allerlei dingen die je kunt doen om de luchtvochtigheid omhoog te brengen. Zo kun je van die ouderwetse waterbakjes aan je verwarming hangen (of bakjes met water los op je verwarming zetten), of je kunt een elektronische luchtbevochtiger aanschaffen. Je kunt ook je planten wat dichter bij elkaar zetten. Het weinige water dat de een verdampt, kunnen andere planten weer opnemen. Zo creëer je een mini-ecosysteempje. Wat ook helpt, is je planten regelmatig – liefst wekelijks – een sproeibeurt geven. Overigens moet je Begonia’s en planten met fijne haartjes op hun blad dan echt overslaan. Die krijgen hier lelijke plekjes van op hun blad. Vetplanten en cactussen hoef je ook niet te besproeien, liever niet zelfs. 

6. Zet je planten niet direct op de verwarming

Niet alleen droge lucht is een probleem voor planten. Ook stralingshitte van bijvoorbeeld de haard, kachel of (vloer)verwarming is een gevaar voor je planten. De warmte is voor veel planten niet het echte probleem, maar de grote schommelingen in temperatuur wel. Planten met veel blad die direct boven of vlak bij een warmtebron staan, krijgen steeds een groot temperatuurverschil te verwerken als de verwarming in de ochtend of aan het einde van de dag aanslaat. Vetplanten en cactussen kunnen hier beter tegen, maar we raden aan alle planten die geen cactussen of vetplanten zijn in de winter uit de buurt te houden van alle warmtebronnen. 

Als je vloerverwarming hebt, is het een goed idee om je plant niet direct op de vloer te zetten. Zet de pot bijvoorbeeld op een verhoging, zoals een klein tafeltje. Het gaat er daarbij vooral om dat 

Heb je geen mogelijkheid om je planten te verplaatsen en laat je ze toch boven de verwarming op de vensterbank staan, plaats dan een bakje met water naast je plant of op de vloer. Dat komt de luchtvochtigheid enigszins ten goede. Let er wel op dat er geen levende delen van de plant direct in aanraking komen met de verwarming. Die verbranden.

7. Zet ze ook niet op de tocht

Planten verafschuwen tocht. In de herfst en winter is het verschil in temperatuur tussen binnen en buiten groter dan in de zomer. Heb je enkelglas, haal dan je planten weg uit de vensterbank en zet ze (tijdelijk) op een tafeltje in de buurt van het raam. Dan hebben ze dezelfde hoeveelheid licht, zónder de tocht. Zij blij, jij blij. 

8. Controleer op plantenplagen

Op plantenplagen controleren doe je het hele jaar door. Ook als de zomer voorbij is dus. Hoewel veel insecten (en schimmels) niet van winterse temperaturen houden, houden ze zeker wel van onze broeierige, droge binnenruimtes. Wanneer je planten binnenhaalt die je in de zomer buiten hebt gehad, let dan ook even goed op of je geen luis of spint mee naar binnen haalt. Die kans is best groot. Het blijft helaas, ook in in het najaar en de winter, een beetje opletten geblazen. 

9. Stel verpotten uit tot in de lente

Voor een plant is verpot worden een behoorlijk stressvolle bedoening. Wortels raken beschadigd en het herstel hiervan kost een plant veel energie. Door het gebrek aan zonlicht heeft hij daar in dit donkere seizoen weinig van. Voor verpotten kun je dus beter die eerste heerlijke zonnestralen afwachten, dan mag je weer. 

10. Raak niet in paniek (raak nóóit in paniek!)

Mocht je nu ondanks al je goede zorgen toch nog dorre bladeren aantreffen bij je planten of zien ze er niet zo fris uit als je gehoopt had, raak dan niet meteen in paniek. Veel planten kunnen best wat hebben. Ze hebben het dan gewoon moeilijk, maar ze gaan niet meteen dood. Blijf kalm en doe geen gekke dingen. Je zult zien dat een plant, net als veel mensen, zich in de lente weer herpakt. Ook voor een plant geldt: een goede (winter)slaap doet wonderen.

6 herfstklusjes voor de voorjaarstuin

De blaadjes vallen weer van de bomen: het is herfst! Tijd om lekker naar binnen te gaan, toch? Niet helemaal. Wie nu extra aandacht geeft aan tuin of balkon, kan in het vroege voorjaar al genieten van groei en bloei. De herfst is het ideale moment om vaste planten te verjongen, bloembollen te planten en insecten en vogels te verwelkomen in je wintertuin. We zetten een aantal nuttige klusjes voor je op een rij. 

1. Scheuren doet leven

Planten die wat langer meegaan, kunnen na verloop van tijd hun groeikracht verliezen. Ze komen nog wel op in het volgende jaar, maar bloeien minder uitbundig en ogen futloos. Blaas deze planten nieuw leven in door ze voorzichtig op te graven. Vervolgens scheur je de plant in tweeën, waarbij je de wortels zo veel mogelijk in tact probeert te houden. Bij kleine planten doe je dit gemakkelijk met de hand, bij wat grotere planten gebruik je het beste een schoon mes of schep. Voorbeelden van vaste planten die je kunt verjongen door te scheuren zijn hosta, geranium en phlox.

Met een schepje of schoon mes kun je veel planten gemakkelijk scheuren

2. Vaste planten aanplanten

Het najaar biedt optimale omstandigheden voor het aanplanten van nieuwe, vaste bomen, struiken, hagen en andere meerjarige planten. Ze zitten niet meer vol met blad en gaan nu een rustperiode in. Hierdoor loop je minder kans om de plant te beschadigen bij het aanplanten. Ook geef je de plant genoeg tijd om te wennen aan een nieuwe standplaats en om sterke wortels te vormen. Vergeet niet om pas aangeplante planten genoeg water te geven en plant niet op dagen met (nacht)vorst. 

3. Boenen maar!

Schimmels voelen zich heel goed thuis in dit jaargetijde. Om te voorkomen dat je ongewenste plagen en bacteriën meeneemt het voorjaar in, kun je het beste nu je zaaibakjes, potjes en eventueel je kas(je) grondig schoonmaken. Ga los met een goede borstel, biologische zeep en eventueel wat azijn. Zo begin je het nieuwe groeiseizoen met een schone lei. Vergeet ook vogelhuisjes niet vrij te maken van resten van het afgelopen jaar. Een borstel of sponsje en warm water zijn genoeg om parasieten en ander ongedierte uit de weg te ruimen.

4. Beetje snoeien, maar vooral met rust laten

Uitgebloeide planten hebben ook hun charme. Ze voorkomen een kale vlakte in de winter en hebben een hele nuttige functie in de (winter)tuin. Stengels, zaadhoofden en andere plantenresten vormen een ideale bron voor nestmateriaal voor vogels in het voorjaar en overwinterplekken voor insecten. Flink uitgelopen planten kun je nu prima een beetje in vorm snoeien, maar laat vooral zo veel mogelijk in tact van de plant. Opruimen komt in de lente wel!

Deze uitgebloeide tuinzuring biedt een goede schuilplaats voor kleine insecten.

5. Grond afdekken

Voor zowel de volle grond als planten in pot geldt dat het goed is om kale grond af te dekken. Hierdoor maak je het onkruid moeilijk en houd je belangrijke voedingsstoffen vast in de bodem. De makkelijkste bodembedekking zijn afgevallen bladeren van de bomen. Een laag van zo’n 5 centimeter is voldoende. Geen bladeren voor handen? Gebruik dan stro, boomschorssnippers of fijngesneden of geknipte plantenresten.

6. Bollen de grond in

Voordat je (vaste) planten in de lente hun frisgroene blad tonen, kun je vanaf het einde van de winter al genieten van vrolijke kleuren in de tuin. Hoe? Met bloembollen! Je hebt nog tot begin december om je favoriete bollen in de grond te stoppen. In deze blog lees je hoe je te werk gaat en welke bollen je kunt kiezen. 

6 tips voor succesvol tuinieren in potten en bakken

Tuinieren alleen voor de volle grond? Zeker niet. Met potten en bakken creëer je je eigen groene oase op je balkon of dakterras, hoe klein dan ook. Vergeleken met tuinieren in de volle grond moet je bij potten iets meer je best doen om je planten succesvol te laten groeien en bloeien. In deze blog lees je 6 handige tips!

1. Zorg voor een goede waterhuishouding

Als je planten in de volle grond staan, kan het regenwater tijdens een plensbui vaak makkelijk de grond intrekken. Hierdoor staan planten niet te lang met hun wortels in het nat, wat het risico op wortelrot verkleint. Bij het bewateren van planten in potten moet je hier actief rekening mee houden. Geef je te veel, dan hoopt het water zich op bij de wortels. Geef je te weinig, dan verdrogen je planten. 

Kies bij het beplanten van je potten en bakken voor luchtige grond. Eventueel kun je wat perliet, rivierzand of grind toevoegen aan je potgrond om de afwatering te bevorderen. 

Met potten en bakken voeg je al snel veel kleur en een zomerse vibe toe aan je balkon of dakterras

Gebruik altijd potten met een gat onderin, hierdoor kan overtollig water makkelijk weglopen. Bij een pot zonder gat is het verstandig om een laag hydrokorrels op de bodem te leggen. Dit voorkomt dat water te lang bij de wortels van je plant blijft staan. Merk je juist dat je planten (te) snel droog staan, dan kun je je pot (met gat) het beste op een schotel met wat water zetten zodat de grond van onderaf water kan opnemen zodra deze dreigt uit te drogen. 

2. Zorg voor genoeg bodemvoeding 

De eerste paar weken nadat je je planten in een pot hebt gezet, is er vaak nog weinig aan de hand. Maar na verloop van tijd worden veel planten slap, het blad wordt geel en de fut is er wel uit. De oorzaak? Een gebrek aan voeding en bodemleven. Iedere keer dat je water geeft, spoelen er nuttige voedingsstoffen weg uit de pot, die weer aangevuld moeten worden.

Geef in de lente en zomer dan ook wekelijks ecologische plantenvoeding tijdens je gietbeurt. Kijk op de achterkant van de verpakking voor de aanbevolen dosering. Daarnaast kun je er ook voor kiezen om compost toe te voegen. Dit geeft een langzamere afgifte van voedingsstoffen aan je planten. Lees ook eens de voedingstips voor potten van De Tuin op Tafel.

3. Let (extra) op tijdens warme dagen 

De grond in potten verdampt snel, zeker op hete dagen. Dit komt doordat de wind vaak vrij spel heeft. Zorg ervoor dat de grond vochtig blijft op warme dagen. Het beste kun je hiervoor je planten ‘s ochtends water geven. In de avond beregenen kan ook, maar je hebt daarbij de kans dat de planten de hele nacht in de natte grond staan wat voor problemen kan zorgen. Snel ingrijpen terwijl de zon nog schijnt, mag natuurlijk ook. Verder zet je je planten het beste even uit de zon tijdens de warme middaguren. Zodra het weer wat afkoelt, kun je ze weer terugzetten in het zonnetje.

Wat goed helpt tegen verdroging, is het aanbrengen van een mulchlaag. Deze laag kan bestaan uit stro, cacaodoppen, vermalen gras. Ze houdt verdamping tegen waardoor de grond minder snel uitdroogt. Meer informatie over mulchen vind je op de handige pagina met tips van Velt.

Is je grond eenmaal uitgedroogd, dan neemt deze veel minder makkelijk water op. Je ziet dan vaak dat het water direct weer uit de pot loopt. Gebeurt dit, zet de pot dan een tijdlang op een schotel met water, zodat de aarde zich langzaam kan verzadigen.

4. Pas op met vorst

Niet alleen warme dagen kunnen uitdagend zijn, (plotselinge) winterse kou ook. De grond in potten koelt snel af en planten die niet winterhard zijn, lopen het risico om beschadigd te raken of erger. Ook hier kun je gelukkig wat aan doen. Met vliesdoek houd je de temperatuur net een paar graden hoger dan de buitenlucht. Een dikke mulchlaag van bijvoorbeeld stro kan ook helpen. Ook kun je vorstgevoelige planten laten overwinteren op een koele plek in huis, zoals een slaapkamer op het noorden. Zodra de kans op nachtvorst is geweken, zet je ze weer buiten. Doe dit wel geleidelijk. Meer weten over het beschermen van je planten tegen de vorst? IVN Natuureducatie schreef een blog vol met oplossingen.

Ook kamerplanten, zoals hier de ZZ-plant, vinden het zomers heerlijk op je balkon

5. Houd het schoon
Ongedierte en schimmels komen ook voor bij planten in pot. Helemaal voorkomen kun je het niet, maar gelukkig is er iets aan te doen. Je potten goed schoonmaken voordat je er nieuwe planten inzet bijvoorbeeld. Hierdoor kunnen achtergebleven schimmels, dode plantenresten en larven van plagen hun slag niet slaan bij je nieuwe planten. 

Niet alleen standaard potten en bakken volstaan, je kunt zo creatief worden als je zelf wil. Zoals met oude meubels!

6. Experimenteer erop los 

Succesvol tuinieren in potten en bakken is soms een uitdaging, maar vooral erg leuk! Het voordeel van potten is dat je ze makkelijk kunt verschuiven. Experimenteer er dus lustig op los en verander je balkon of terras met de seizoenen mee. Combineer voorjaars- en najaarsbloeiers, bollen en eenjarigen. Ga helemaal los op mooie kleurcombinaties en speel met hoogte. Let er wel altijd op dat je je planten op de juiste standplaats zet. 

Alles weten over moestuinieren op een balkon? Beluister dan de podcast van IVN Natuureducatie

https://open.spotify.com/episode/22TsV1Qx6VhjZ42DYfI3qI

Het vergroenen van balkon en dak draagt bij aan een leefbare stad. Meer weten over groen (doen) in de stad? Bekijk ons thema Groeiende Stad.

Wat kruipt daar nou? 3 supercoole natuurlijke vijanden tegen plagen op je kamerplanten

Plagen kamerplanten

Vroeg of laat krijgt iedere plantenliefhebber te maken met plagen, ook in huis. Misschien ben je geneigd om meteen naar de winkel te gaan voor het halen van een fles bestrijdingsmiddel, maar er is een meer verantwoorde oplossing: natuurlijke vijanden! We vertellen je graag over 3 supercoole veelvraatjes, die zich maar wat graag tegoed doen aan die vervelende knagers. Het klinkt misschien gek om insecten in huis te halen, maar je zult zien dat dat in de praktijk heel goed uitpakt. Lees onderaan hoe dat zit. 

Als trotse plantenbezitter besteed je veel tijd aan het verzorgen van je groene vrienden. Je geeft ze water als ze het nodig hebben, je zorgt voor voldoende licht en je geeft voeding in de lente en de zomer. Alles lijkt goed te gaan tot ineens je blik valt op op iets vreemds: groene kruipende beestjes die je pannenkoekenplant te lijf gaan! En wat vliegt er nou omhoog vanaf je zonnebloemen op de vensterbank? Geen paniek, er is (vrijwel) altijd iets aan te doen. De natuurlijke vijanden komen to the rescue.

1. Lieveheersbeestje (larve)

Dit rood-met-zwarte-stippen-diertje kom je in elke tuin tegen. Het lieveheersbeestje heeft vooral een schattig imago, maar is bovenal een harde werker. Hij kan in huis dan ook veel voor je dierbare kamerplanten betekenen.

De larve van het lieveheersbeestje eet voordat hij volwassen wordt gemiddeld zo’n 600 bladluizen. Eenmaal volwassenen eet hij er wel tot 100 op een dag! Een ware veldslag waar de bladluis niet tegenop kan. Het lieveheersbeestje legt zijn eitjes midden in een bladluis kolonie voor een echte invasie. Je kunt de larven van het lieveheersbeestje ook in je tuin uitzetten. Hoe je dat doet, lees je in het blog van Natuurmonumenten.

Bron: huisentuinmagazine | Het lieveheersbeestje in actie

2. Sluipwesp

Ook de sluipwesp zet de aanval in op de bladluis, maar is ook niet vies van de witte vlieg. Je herkent ze aan hun slanke ‘wespentaille’, maar voor het blote oog zijn ze bijna niet zichtbaar. Ze worden de laatste jaren steeds meer ingezet voor de bestrijding van plagen, vooral ook in de landbouw.

Zet je de larven uit bij een plaag, dan is er geen houden meer aan. Voor de voortplanting leggen ze hun eitjes namelijk in het plaagbeestje. Met hun legboor dringen ze zich naar binnen bij het insect. De larven eten vervolgens hun gastheer op en transformeren vervolgens tot volwassen sluipwesp. Vervolgens legt die zijn eitjes weer in het volgende plaagbeestje en zo winnen ze steeds sneller de oorlog tegen de plaag. Meer weten over de sluipwesp? Raadpleeg dan de informatie van IVN.

Bron: IVN | Restanten van oude gastheren waaruit de sluipwesplarve zich heeft ontwikkeld

3. Aaltjes

Waar je bladluizen en witte vlieg nog weleens over het hoofd kunt zien, is dat bij de favoriete traktatie van de rouwvarenmug wel anders. De rouwvarenmug (ook wel rouwvliegje genoemd) verspreidt zich razendsnel en vliegt al snel vrolijk rond je planten. Het gekrioel van deze irritante beestjes zorgt bij veel plantenbezitters voor frustratie en wanhoop. Gelukkig zijn daar de aaltjes om je plantencollectie te redden.

Aaltjes – ook wel bekend als nematoden – doen zich graag tegoed aan de larven van de rouwvarenmug, maar ook aan de poppen van trips, een andere veelvoorkomende plaag op kamerplanten. De minuscule beestjes worden niet groter dan 0,7 millimeter. Eenmaal in de bodem gaan ze op zoek naar larven en poppen van plaaginsecten. Ook zij dringen hun gastheer binnen, welke afsterft en geen schade meer kan aanrichten aan je planten. In een enkele insectlarve kunnen wel duizenden aaltjes leven en zich tegoed doen aan hun gastheer. 

Bron: All That’s Interesting | Aaltjes zijn met het blote oog niet te zien

Insecten IN huis?

Het klinkt misschien niet als het meest frisse idee, maar je hoeft niet bang te zijn dat deze beestjes je huis over zullen nemen. Ze concentreren zich alleen op de plagen op je planten en hebben op andere plekken in huis niets te zoeken. In het geval van het lieveheersbeestje overleven alleen de sterksten, ze eten elkaar op bij een tekort aan voeding. Uiteindelijk zal ook de laatste verdwijnen, maar nog beter is om ze in de natuur uit te zetten om hun werk daar voort te zetten.

Sluipwespen en aaltjes zijn zeer klein en amper met het blote oog te zien. Ook zijn ze niet schadelijk voor mensen of huisdieren. Ze zullen je nooit lastigvallen. Zodra er geen voeding meer voor handen is, sterven beide beestjes zonder resten achter te laten. Insecten in huis halen om andere insecten te bestrijden is dus helemaal niet zo’n gek idee!

Welk insect zit er op jouw kamerplant?

Voor je aan de slag gaat met het inzetten van natuurlijke vijanden, moet je eerst achterhalen welke knager zich huishoudt op je plant. In dit handige overzicht van Milieu Centraal vind je een aantal kenmerken om tot de juiste conclusie te komen. De meest voorkomende plagen zijn:

  • Bladluizen
  • Witte vlieg
  • Rouwvarenmuggen
  • Tripsen
  • Spintmijten

Welke planten zijn gevoelig voor plagen?

Plagen hebben het vooral gemunt op planten met grote, dunne bladeren. In het algemeen geldt dat plagen zich vooral zullen richten op jong blad aan je plant. Het beste kun je dus de nieuwe groei in de gaten houden op de aanwezigheid van ongewenste beestjes. Laat je ze hun gang gaan, dan kan je plant erg verzwakt raken doordat de insecten noodzakelijke voedingsstoffen uit de plant halen. Uiteindelijk kan een plant zelfs afsterven hierdoor.

Bron: Milieu Centraal | Een kolonie bladluizen doet zich tegoed aan een kamerlelie

Voorkomen is (nog altijd) beter dan genezen

Om te voorkomen dat plagen als bladluis en witte vlieg telkens terugkomen kun je een aantal preventieve stappen zetten:

– Zet je plant eens op een andere plek
– Zorg ervoor dat je gebruikte potten goed schoonmaakt voor je er een nieuwe plant in zet.
– Pas op met erge tocht of hele droge (verwarmings)lucht
– Houd je potgrond niet te nat
– Geef je planten niet te veel voeding

Gaat het inzetten van natuurlijke insecten je net iets te ver? Probeer dan eens een mengsel van water, zeep en een heel klein beetje spiritus. Of kies voor een ecologische bestrijding. 

Natuurlijke vijanden kopen?

Er zijn online een aantal goede verkopers van natuurlijke vijanden. We verwijzen je hiervoor graag naar Biogroei. Zij weten precies hoe ze de beestjes goed kunnen houden voor en tijdens verzending zodat je geen miskoop doet.

6 verrassende redenen om je onkruid vooral níet te verwijderen

onkruid_niet_verwijderen_blog

Dat onkruid tot een van de grootste ergernissen behoort onder tuiniers, blijkt wel uit ons zoekgedrag op Google: Woordcombinaties als ‘onkruid verwijderen’, ‘onkruidbrander’ en ‘onkruidverdelger’ worden gemiddeld vele duizenden keren per maand ingetikt. ‘Onkruidbrander’ zelfs wel 27.000 keer! Maar waarom ergeren we ons zo aan onkruid? Het zijn per slot van rekening ook planten. Alleen groeien ze op een plek waar wij ze niet willen hebben. Het is tijd om op een andere manier naar onkruid te kijken. We geven hieronder zes redenen om onkruid – of beter: wilde planten – lekker te laten staan!

1. Onkruid vertelt je iets over de voedingswaarde van je tuin

Aan de planten die ongevraagd in je tuin naar boven komen, kun je zien hoe het staat met de voedingswaarde van de bodem. Heb je veel brandnetels en zevenblad in je tuin? Dat is een teken van een voedselrijke bodem. Groeit er kamille? Dan heb je waarschijnlijk te maken een kalkarme grond. Dit is heel handig om te weten als je planten gaat kopen! Daarnaast weet je meteen wat je grond eventueel tekortkomt. Bij kamille weet je dat je bijvoorbeeld kalk zou kunnen strooien om je bodem te verbeteren. Kijk hier voor meer bodemindicatoren van verschillende (on)kruiden.

2. Onkruid maakt de bodem vruchtbaarder

Verschillende wilde planten hebben stevige wortels die ver de grond in gaan, zoals heermoes, paardenbloem, distels en smeerwortel. Hiermee maken ze kleine tunneltjes in de grond, die de bodem losser maken. Regenwater krijgt zo de kans om dieper de grond in te gaan en het bodemleven krijgt letterlijk weer zuurstof. Daarnaast halen deze wilde planten nuttige mineralen uit de diepere grondlaag naar boven en slaan deze op. Om die voedingsstoffen beschikbaar te maken voor andere planten, kun je de wilde planten gebruiken als compost. Gebruik dan alleen de stengels en het blad, niet de wortels of bloemknoppen en -zaden. Je kunt er ook plantengier van maken.

Met brandnetels kun je ontzettend veel. Van het trekken van plantengier tot het maken van soep.

3. Veel onkruid is eetbaar

Brandnetels, zevenblad, madelief, hondsdraf, paardenbloem: het zijn een paar voorbeelden van de lange lijst van wilde planten die je kunt eten. Er zijn veel boeken over eetbare (wilde) planten, met vaak lekkere recepten erbij. Zorg wel dat je zeker weet dat een plant eetbaar is, voordat je er enthousiast thee van trekt: er zijn natuurlijk ook giftige soorten. Permacultuur Nederland geeft handige tips.

‘Dodelijk de tuin waar onkruid niet gedijen mag.’

Remco Campert, Luister goed naar wat ik verzwijg (1976)


4. Verschillende typen onkruid helpen bij kwaaltjes

Vroeger werden planten veel meer gebruikt tegen allerlei kwalen. Er waren ook veel meer mensen die wisten welke kruiden je voor welke problemen kon inzetten. Zo werd Robertskruid in de 17e eeuw gebruikt voor huiduitslag en oog- en mondontstekingen. En van kamille is het wetenschappelijk bewezen dat het helpt bij onder andere maagproblemen en het verlichten van stress.

5. Onkruid is goed voor de biodiversiteit

Bijen en vlinders hebben een grote diversiteit aan (wilde) planten nodig om te kunnen overleven. Rupsen zijn bijvoorbeeld bijzonder kieskeurig wat betreft hun voedsel! De planten die zij eten, worden waardplanten genoemd. Voorbeelden daarvan zijn brandnetels, zuring en distels. Op de website van de Vlinderstichting vind je een lijst van waardplanten die de rupsen in ons land nodig hebben om te kunnen ontpoppen tot prachtige vlinders. Bijen hebben weer andere planten nodig, drachtplanten genoemd. Door sommige wilde planten bewust te laten staan help je bijen en vlinders. En als je die helpt, dan help je ook weer andere organismen in het ecosysteem.

6. Onkruid is ook kruid

Tenslotte gaan we ook nog even op de filosofische toer: het idee dat een wilde plant ‘onkruid’ is, is op zichzelf een vreemd waardeoordeel van de mens. Alsof het geen planten van waarde zijn, omdat ze ons tuinplan in de weg staan. Gelukkig zijn er steeds meer mensen die door hebben dat tuinieren mét de natuur beter werkt dan tuinieren tegen de natuur. Die hoekjes creëren waar ze wilde planten lekker hun gang laten gaan. Het is namelijk niet voor niets dat deze planten vanzelf naar boven komen op kale plekken in je borders. Het is goed om hierbij stil te staan voordat je je lustig op het wieden stort!