6 verrassende redenen om je onkruid vooral nĂ­et te verwijderen

onkruid_niet_verwijderen_blog

Dat onkruid tot een van de grootste ergernissen behoort onder tuiniers, blijkt wel uit ons zoekgedrag op Google: Woordcombinaties als ‘onkruid verwijderen’, ‘onkruidbrander’ en ‘onkruidverdelger’ worden gemiddeld vele duizenden keren per maand ingetikt. ‘Onkruidbrander’ zelfs wel 27.000 keer! Maar waarom ergeren we ons zo aan onkruid? Het zijn per slot van rekening ook planten. Alleen groeien ze op een plek waar wij ze niet willen hebben. Het is tijd om op een andere manier naar onkruid te kijken. We geven hieronder zes redenen om onkruid – of beter: wilde planten – lekker te laten staan!

1. Onkruid vertelt je iets over de voedingswaarde van je tuin

Aan de planten die ongevraagd in je tuin naar boven komen, kun je zien hoe het staat met de voedingswaarde van de bodem. Heb je veel brandnetels en zevenblad in je tuin? Dat is een teken van een voedselrijke bodem. Groeit er kamille? Dan heb je waarschijnlijk te maken een kalkarme grond. Dit is heel handig om te weten als je planten gaat kopen! Daarnaast weet je meteen wat je grond eventueel tekortkomt. Bij kamille weet je dat je bijvoorbeeld kalk zou kunnen strooien om je bodem te verbeteren. Kijk hier voor meer bodemindicatoren van verschillende (on)kruiden.

2. Onkruid maakt de bodem vruchtbaarder

Verschillende wilde planten hebben stevige wortels die ver de grond in gaan, zoals heermoes, paardenbloem, distels en smeerwortel. Hiermee maken ze kleine tunneltjes in de grond, die de bodem losser maken. Regenwater krijgt zo de kans om dieper de grond in te gaan en het bodemleven krijgt letterlijk weer zuurstof. Daarnaast halen deze wilde planten nuttige mineralen uit de diepere grondlaag naar boven en slaan deze op. Om die voedingsstoffen beschikbaar te maken voor andere planten, kun je de wilde planten gebruiken als compost. Gebruik dan alleen de stengels en het blad, niet de wortels of bloemknoppen en -zaden. Je kunt er ook plantengier van maken.

Met brandnetels kun je ontzettend veel. Van het trekken van plantengier tot het maken van soep.

3. Veel onkruid is eetbaar

Brandnetels, zevenblad, madelief, hondsdraf, paardenbloem: het zijn een paar voorbeelden van de lange lijst van wilde planten die je kunt eten. Er zijn veel boeken over eetbare (wilde) planten, met vaak lekkere recepten erbij. Zorg wel dat je zeker weet dat een plant eetbaar is, voordat je er enthousiast thee van trekt: er zijn natuurlijk ook giftige soorten. Permacultuur Nederland geeft handige tips.

‘Dodelijk de tuin waar onkruid niet gedijen mag.’

Remco Campert, Luister goed naar wat ik verzwijg (1976)


4. Verschillende typen onkruid helpen bij kwaaltjes

Vroeger werden planten veel meer gebruikt tegen allerlei kwalen. Er waren ook veel meer mensen die wisten welke kruiden je voor welke problemen kon inzetten. Zo werd Robertskruid in de 17e eeuw gebruikt voor huiduitslag en oog- en mondontstekingen. En van kamille is het wetenschappelijk bewezen dat het helpt bij onder andere maagproblemen en het verlichten van stress.

5. Onkruid is goed voor de biodiversiteit

Bijen en vlinders hebben een grote diversiteit aan (wilde) planten nodig om te kunnen overleven. Rupsen zijn bijvoorbeeld bijzonder kieskeurig wat betreft hun voedsel! De planten die zij eten, worden waardplanten genoemd. Voorbeelden daarvan zijn brandnetels, zuring en distels. Op de website van de Vlinderstichting vind je een lijst van waardplanten die de rupsen in ons land nodig hebben om te kunnen ontpoppen tot prachtige vlinders. Bijen hebben weer andere planten nodig, drachtplanten genoemd. Door sommige wilde planten bewust te laten staan help je bijen en vlinders. En als je die helpt, dan help je ook weer andere organismen in het ecosysteem.

6. Onkruid is ook kruid

Tenslotte gaan we ook nog even op de filosofische toer: het idee dat een wilde plant ‘onkruid’ is, is op zichzelf een vreemd waardeoordeel van de mens. Alsof het geen planten van waarde zijn, omdat ze ons tuinplan in de weg staan. Gelukkig zijn er steeds meer mensen die door hebben dat tuinieren mĂ©t de natuur beter werkt dan tuinieren tegen de natuur. Die hoekjes creĂ«ren waar ze wilde planten lekker hun gang laten gaan. Het is namelijk niet voor niets dat deze planten vanzelf naar boven komen op kale plekken in je borders. Het is goed om hierbij stil te staan voordat je je lustig op het wieden stort!

6 tips voor succesvol tuinieren in potten en bakken

Tuinieren alleen voor de volle grond? Zeker niet. Met potten en bakken creëer je je eigen groene oase op je balkon of dakterras, hoe klein dan ook. Vergeleken met tuinieren in de volle grond moet je bij potten iets meer je best doen om je planten succesvol te laten groeien en bloeien. In deze blog lees je 6 handige tips!

1. Zorg voor een goede waterhuishouding

Als je planten in de volle grond staan, kan het regenwater tijdens een plensbui vaak makkelijk de grond intrekken. Hierdoor staan planten niet te lang met hun wortels in het nat, wat het risico op wortelrot verkleint. Bij het bewateren van planten in potten moet je hier actief rekening mee houden. Geef je te veel, dan hoopt het water zich op bij de wortels. Geef je te weinig, dan verdrogen je planten. 

Kies bij het beplanten van je potten en bakken voor luchtige grond. Voeg eventueel wat perliet, rivierzand of grind toe aan je potgrond om de afwatering te bevorderen. 

Met potten en bakken voeg je al snel veel kleur en een zomerse vibe toe aan je balkon of dakterras

Gebruik altijd potten met een gat onderin. Hierdoor kan overtollig water makkelijk weglopen. Bij een pot zonder gat is het verstandig om een laag hydrokorrels op de bodem te leggen. Dit voorkomt dat water te lang bij de wortels van je plant blijft staan. Staan je planten juist (te) snel droog? Zet dan je pot (met gat) op een schotel met wat water zetten. Op deze manier kan de grond van onderaf water opnemen, zodra deze dreigt uit te drogen. 

2. Zorg voor genoeg bodemvoeding 

De eerste paar weken nadat je je planten in een pot hebt gezet, is er vaak nog weinig aan de hand. Maar na verloop van tijd worden veel planten slap, het blad wordt geel en de fut is er wel uit. De oorzaak? Een gebrek aan voeding en bodemleven. Iedere keer dat je water geeft, spoelen er nuttige voedingsstoffen weg uit de pot. Die moeten aangevuld worden.

Geef in de lente en zomer dan ook wekelijks ecologische plantenvoeding tijdens je gietbeurt. Kijk op de achterkant van de verpakking voor de aanbevolen dosering. Daarnaast kun je er ook voor kiezen om compost toe te voegen. Dit geeft een langzamere afgifte van voedingsstoffen aan je planten. Lees ook eens de voedingstips voor potten van De Tuin op Tafel.

3. Let (extra) op tijdens warme dagen 

De grond in potten verdampt snel, zeker op hete dagen. Dit komt doordat de wind vaak vrij spel heeft. Zorg ervoor dat de grond vochtig blijft op warme dagen. Geef je planten het liefst ‘s ochtends water. In de avond beregenen kan ook, maar dan is  de kans groter dat de planten de hele nacht in de natte grond staan, wat voor problemen kan zorgen. Snel ingrijpen terwijl de zon nog schijnt, mag natuurlijk ook. Verder zet je je planten het beste even uit de zon tijdens de warme middaguren. Zodra het weer wat afkoelt, kun je ze weer terugzetten in het zonnetje.

Wat goed helpt tegen verdroging, is het aanbrengen van een mulchlaag. Deze laag kan bestaan uit stro, cacaodoppen, vermalen gras. Ze houdt verdamping tegen waardoor de grond minder snel uitdroogt. Meer informatie over mulchen vind je op de handige pagina met tips van Velt.

Is je grond eenmaal uitgedroogd, dan neemt deze veel minder makkelijk water op. Je ziet dan vaak dat het water direct weer uit de pot loopt. Gebeurt dit, zet de pot dan een tijdlang op een schotel met water, zodat de aarde zich langzaam kan verzadigen.

Niet alleen standaard potten en bakken volstaan, je kunt zo creatief worden als je zelf wil. 🙂

 

4. Pas op met vorst

Niet alleen warme dagen kunnen uitdagend zijn, (plotselinge) winterse kou ook. De grond in potten koelt snel af en planten die niet winterhard zijn, lopen het risico om beschadigd te raken of erger. Ook hier kun je gelukkig wat aan doen. Met vliesdoek houd je de temperatuur net een paar graden hoger dan de buitenlucht. Een dikke mulchlaag van bijvoorbeeld stro kan ook helpen. Ook kun je vorstgevoelige planten laten overwinteren op een koele plek in huis, zoals een slaapkamer op het noorden. Zodra de kans op nachtvorst is geweken, zet je ze weer buiten. Doe dit wel geleidelijk. Meer weten over het beschermen van je planten tegen de vorst? IVN Natuureducatie schreef een blog vol met oplossingen.

5. Houd het schoon
Ongedierte en schimmels komen ook voor bij planten in pot. Helemaal voorkomen kun je het niet, maar gelukkig is er iets aan te doen. Je potten goed schoonmaken voordat je er nieuwe planten inzet bijvoorbeeld. Hierdoor kunnen achtergebleven schimmels, dode plantenresten en larven van plagen hun slag niet slaan bij je nieuwe planten. 

6. Experimenteer erop los 

Succesvol tuinieren in potten en bakken is soms een uitdaging, maar vooral erg leuk! Het voordeel van potten is dat je ze makkelijk kunt verschuiven. Experimenteer er dus lustig op los en verander je balkon of terras met de seizoenen mee. Combineer voorjaars- en najaarsbloeiers, bollen en eenjarigen. Ga helemaal los op mooie kleurcombinaties en speel met hoogte. Let er wel altijd op dat je je planten op de juiste standplaats zet. 

Bij Steck vind je alle benodigdheden om van jouw balkon een paradijsje te maken. 

Waarom je inheemse planten in je tuin wil zetten

Inheemse planten in Nederlandse tuin in Utrecht

Je hebt vast weleens van de term ‘inheemse planten’ gehoord, maar wat betekent dat nu eigenlijk? Inheemse planten (of heemplanten) zijn planten die van nature groeien in een bepaald gebied. Bekende inheemse planten in Nederland zijn bijvoorbeeld Hazelaar, Gele Kornoelje, Veldesdoorn en Kattenstaart. Dit soort planten zijn enorm belangrijk voor de biodiversiteit. Hoe dat precies zit, leggen we hieronder uit!


Wat is biodiversiteit?

Als er heel veel verschillende soorten (dieren, planten, schimmels, bacteriën) voorkomen in een gebied, dan heeft dat gebied een hoge biodiversiteit. En vaak geldt dat hoe hoger die biodiversiteit is, des te gezonder het ecosysteem. In de natuur staat alles in relatie met elkaar. De meeste planten zijn voor de voortplanting afhankelijk van insecten. Zowel die planten als de insecten worden gegeten door bijvoorbeeld kleine zoogdieren, die weer gegeten worden door grotere zoogdieren, enzovoort. Als er een soort wegvalt in het ecosysteem, dan heeft dat meteen gevolgen voor andere soorten in de kringloop van het leven. Gebieden met een lage biodiversiteit hebben vaak minder voedsel te bieden en zijn daarnaast ook vatbaarder voor plagen en pandemieën. Het natuurlijke evenwicht is weg, waardoor er van bepaalde soorten juist te véél kan ontstaan. Een voorbeeld daarvan is de eikenprocessierups die zomers al jaren hele gebieden in Nederland teistert.

Keizersmantel (vlinder) op braam
Keizersmantel (Argynnis paphia) op braam (Rubus fruticosus)

Afname insecten

Dat het niet goed gaat met de biodiversiteit, dat is inmiddels algemeen bekend. Wereldwijd is de insectenpopulatie de afgelopen dertig jaar bijvoorbeeld gemiddeld met een kwart afgenomen. Het aantal vlinders in Nederland is in die periode gehalveerd. Ecologen vermoeden dat door de afname van het aantal insecten ook bepaalde vogels zich nog maar weinig laten zien in ons land. De oorzaak van het uitsterven van insecten is divers: te veel stikstof, waardoor bepaalde planten uitsterven, verstedelijking, te veel maaien op boerenland, het gebruik van bestrijdingsmiddelen en noem maar op. Wat in elk geval duidelijk is, is dat insecten niet genoeg voedsel kunnen vinden en onvoldoende rust- of schuilplekken.

Inheemse planten in je tuin
En daar komen de inheemse planten om de hoek. De planten die al eeuwenlang in Nederland groeien, hebben zich in al die jaren aangepast aan de insecten die hier rondvliegen en andersom. Op elk potje past zogezegd een dekseltje, maar wel een heel specifiek dekseltje! In onze blog over plantenseks leggen we uit hoe dat zit. Rupsen zijn bijvoorbeeld hele kieskeurige eters: zij lusten vaak maar enkele plantensoorten. Als die er niet meer zijn, dan gaan de rupsen dood, en verdwijnt er (weer) een vlindersoort, die juist nuttig is voor de bestuiving van andere planten. Willen we voorkomen dat de insecten nog verder uitsterven, dan moeten we er op zijn minst voor zorgen dat er genoeg voedsel- en schuilplekjes voor hen te vinden zijn. En daar kun jij bij helpen door inheemse planten in je tuin te zetten!

Gelderse roos (Viburnum opulus)

Welke planten zijn inheems?

Er zijn een heleboel inheemse planten en bomen, hier noemen we er een aantal die je in elk geval bij Steck kunt kopen. Vrienden van Steck kunnen sparen voor een gratis exemplaar:

Gele Morgenster (Tragopogon pratensis)
Bosaardbei (Fragaria vesca)
Betonie (Stachys officinalis)
Wilde Marjolein (Origanum vulgare)
Veldsalie (Salvia pratensis)
Vingerhoedskruid (Digitalis purpurea)
Grote tijm (Thymus pulegioides)
Groot kaasjeskruid (Malva sylvestris)
Oranje havikskruid (Hieracium aurantiacum)

Inheems en uitheems combineren
Het is overigens niet zo dat uitheemse planten níet goed zijn. Het merendeel van de uitheemse planten kun je prima in je tuin zetten en sommige insecten zullen daar ook wat van smikkelen. Let alleen wel op dat je uitheemse planten niet té succesvol zijn. Er zijn namelijk enkele invasieve soorten die, als je even niet oplet, je hele tuin overnemen en inheemse planten verdringen. De Japanse Duizendknoop is een van de bekendste voorbeelden hiervan. Wil je echt iets doen voor de biodiversiteit, zorg dan dat je in elk geval inheemse planten in je tuin hebt staan. Dat kan heel goed in combinatie met (niet-invasieve) uitheemse soorten. 

In gesprek met imker Rabia van de Bijenstal: ‘Bijen zijn als huisdieren. Je geeft er echt om.’

Imker Rabia opent een bijenkast om het bijenvolk los te laten in hun nieuwe thuis bij Steck Utrecht

Zestigduizend nieuwe inwoners bij Steck. Geen mensen, maar bijen! Om bij te dragen aan de biodiversiteit in de wijk Overvecht en Utrecht, maar vooral om Utrechters een kijkje te laten nemen in de fascinerende wereld van deze beestjes. Zaterdag 25 mei werd de bijenstal van Danielle en Rabia feestelijk geopend. Imker Rabia vertelt trots hoe ze bij Steck terecht is gekomen. 

De Marokkaanse Rabia woont om de hoek van Steck. ‘Ik ben 44, moeder van 4 kids en ik heb vorig jaar mijn opleiding tot Imker gehaald.’ En nu ziet ze een langgekoesterde droom in vervulling gaan: ze is imker in haar eigen Overvecht.

Imkeren bij Steck

‘Tijdens de imkercursus krijg je een bijenvolk, maar je moet zelf een kast aanschaffen en er een plek voor vinden. Mijn tuin is redelijk groot, maar ik wist dat ik zou groeien. Daarom ging ik op zoek naar een andere standplaats. Toen ik net geslaagd was, raakte ik in gesprek met Caro, een dame die actief is in Overvecht en een groot netwerk heeft. Zij bracht me in contact met Steck. Ik ben moslim en geloof niet in toeval. Steck was op dat moment op zoek naar een imker. Dit was geen toeval, het moest zo zijn. Zo gezegd, zo gedaan. Samen met mede-cursist Danielle ben ik nu imker bij de bijenstal van Steck!’

Meer bij-wustwording

‘Ik ben Marokkaans en Marokkanen, die houden van honing! Dat heb ik met de paplepel ingegoten gekregen. Honing uit de omgeving heeft verschillende voordelen, maar hoe weet je of er een imker in de buurt is? Mijn vader hield erg van honing en honingraat, maar dat is vaak duur of van mindere kwaliteit. Ik wilde hem blij maken, dus dacht ik: waarom word ik zelf geen imker? Daarnaast kreeg ik steeds meer interesse in tuinieren. Ik merkte dat mijn bloemen niet werden bevrucht, wat mijn interesse in bijen deed groeien. Vorig jaar meldde ik me aan voor een cursus en sprong in het diepe. Je ziet hoe snel dingen kunnen gaan, vorig jaar was ik nog cursist, nu ben ik officieel imker bij de bijenstal.’

“Bijen zijn als huisdieren. Je geeft er echt om!”

‘Imkeren is ontzettend leuk om te doen. Bijen zijn als huisdieren voor me. Wij hebben zelf een kat, en ik vergelijk ze daarmee: je geeft echt om ze. Het zijn fascinerende beestjes. Alleen al het observeren van hoe ze opstijgen en rondvliegen is prachtig. Ze vliegen nooit zonder reden uit, en wanneer ze terugkeren, zie je allerlei kleuren op hun lijfjes: van donkerpaars tot geel en zwart. Met wat kennis kun je hun gedrag lezen. Mijn hoop is om meer bewustzijn te creĂ«ren voor de honingbij in de buurt, vooral in Overvecht. Ik wil graag scholen betrekken en gastlessen geven. Ons doel is bewustwording en educatie. Het zou mooi zijn als we op den duur ook honing kunnen maken en verkopen, maar dat is niet ons grootste doel. Wist je dat zo’n 75% van de fruit- en groenteteelt wordt bestoven door bijen? Bijen zijn geweldig, niet alleen voor bloemen en planten. Hun gif – wat ik liever medicijn noem – werkt als een antibioticum. Als je niet allergisch bent, is het juist goed voor je lichaam. Wetenschappers onderzoeken dit volop. Een bijensteek hoeft niet altijd pijnlijk te zijn en heeft een functie, want het beestje sterft na het steken. Een bijenkast heeft gemiddeld 25.000 tot 40.000 bijen, en je kunt er de hele dag naar kijken!’

Je vindt de bijenstal van imkers Danielle en Rabia op het buitenterrein van Steck, naast de pluktuin van Glitter Gladiool. Wil je meer weten over de bijenstal? Kijk dan op deze pagina.

Tuinkalender juni: deze tuinklusjes doe je nu

Een hand plukt een rijpe aardbei van een aardbeienplant

De zomer komt er eindelijk aan! Maar welke klussen in de tuin en op het balkon doe je in juni? Wat kun je deze maand doen om jouw buitenleven nog mooier te maken? Hieronder vind je 5 klusjes om jouw tuin of balkon zomerklaar te maken.

1. Oogsten en zaaien in de moestuin

Heb je een moestuin? Dan pluk je daar nu al – letterlijk – de vruchten van! Deze maand oogst je bijvoorbeeld de eerste aardbeien, aardappels, sla, spinazie en erwten. Ook kun je groenten als radijs en sla zaaien voor een tweede oogst in de zomer. In de Voedseltuin bij Steck doe je veel inspiratie op!

2. Onderhoud

Bij vaste planten en rozen haal je de uitgebloeide bloemen weg, zo stimuleer je nieuwe bloei. Snoeien? Dat doe je deze maand met heggen als buxus, liguster en taxus. En ben je gezegend met een gazon? Dan mag je deze maand ook lekker gaan maaien! Maar, let op, niet te kort, anders heb je kans op uitdroging tijdens warmere dagen. 

3. Water geven

De zomer staat om de hoek en de eerste fijne warme dagen hebben we al gehad. De komende maand gaat het – als het goed is – alleen nog maar lekkerder worden. Zorg in droge tijden voor voldoende water voor je bloemen en planten buiten. Geef ze het liefst water uit de regenton – want duurzaam – en doe dit in de vroege ochtend of late avond om verdamping te minimaliseren. Woon je in Utrecht? Dan krijg je tot eind oktober € 40 korting op een regenton bij Steck.  

4. Onkruid wieden

Vergeet deze maand niet om onkruid weg te halen, want met die warme dagen in juni groeit het snel! Door onkruid te verwijderen, krijgen planten en bloemen alle voedingsstoffen die ze nodig hebben. Overigens heeft onkruid ook een positieve functie. Hier lees je er meer over. En besluit daarna hoe grondig je te werk gaat.

Iemand staat met een schoffel in een tuin te werken, en haalt daar onkruid tussen zijn planten weg.

5. Checken op ongewenste bezoekers

Ongewenste bezoekers? Jazeker! Ook in jouw tuin kunnen plagen als bladluizen, slakken of spint voorkomen. Controleer daarom je  planten regelmatig op deze ongewenste bezoekers en pak ze direct aan. Bij Steck vind je verschillende natuurlijke bestrijders.

In een notendop

Deze klussen pak je op in juni:

  1. Oogsten en zaaien in de moestuin 
  2. Onderhoud: lekker bijknippen en maaien 
  3. Planten water geven
  4. Onkruid weghalen 
  5. De tuin checken op ongewenste bezoekers 

En misschien wel de belangrijkste tip: vooral veel genieten! Pak je zonnebrand (en bril) erbij, een boekje, koud drankje, een fijne salade, de parasol voor de nodige schaduw en geniet van de eerste zomermaand van 2024 in je tuin (of op je balkon)! En mocht je op zoek zijn naar nieuwe accessoires, planten of zaadjes om je tuin helemaal zomerproof te maken: Bij Steck zijn de mogelijkheden eindeloos. Kom je snel langs? 

8 tips voor een vlindervriendelijke tuin

Vlinders die om je heen fladderen in een zonnige tuin, dat is toch wel het ultieme geluksgevoel. Helaas zijn er steeds minder vlinders in Nederland. Dat is niet alleen jammer voor ons geluksgevoel, het zegt vooral veel over de staat van de natuur. Vlinders hebben steeds meer moeite met het vinden van voedsel. Vooral rupsen – die zich later ontpoppen tot vlinders – zijn ontzettend kieskeurig. Als ze hun lievelingsplanten niet kunnen vinden, dan gaan ze dood. Met een vlindervriendelijke tuin of balkon kun je dit voorkomen. Hieronder lees je hoe je dat doet.

Eitje, rupsje, vlinder

Allereerst is het handig om te weten hoe de levenscyclus van een vlinder in elkaar steekt. Een vrouwtjesvlinder legt eitjes. Daar komen rupsen uit. De eitjes en de rupsen zijn bij elke vlindersoort anders. Een rups eet zich vol. Zo vol, dat hij moet vervellen om zijn huid mee te laten groeien. Dat doet-ie zo’n 5 keer. Bij de laatste keer vervellen, verandert de rups in een pop, met soms nog een extra cocon eromheen. Bij sommige vlinders duurt deze fase een paar dagen, bij andere kan het wel tot drie jaar duren! Uiteindelijk komt er een vlinder uit de pop. Een klein wonder.

Vlinders rond Utrecht

Volgens de Vlinderstichting komen de volgende dagvlinders het meest voor rond Utrecht: bruin zandoogje, klein koolwitje, oranjetip, atalanta, boomblauwtje, gehakkelde aurelia en dagpauwoog. Hieronder zie je de dagpauwoog in al haar kleurenpracht:

Wil je deze – en andere – vlinders een handje helpen, zorg dan dat je je tuin of balkon zo vlinder- en rupsvriendelijk mogelijk inricht. Volg onderstaande tips en je bent al een heel eind op weg!

1. Zorg voor nectarplanten voor vlinders

Vlinders halen nectar uit bloemen. Dat is een zoete stof die planten aanmaken om insecten te lokken. Vlinders en bijen die de nectar uit de bloem halen, nemen in het voorbijgaan ook wat stuifmeel mee op hun lijf. Zo kan een plant zich gemakkelijk voortplanten, zonder dat deze zich hoeft te bewegen. Voorbeelden van nectarplanten die de Utrechtse vlinders lekker vinden, zijn: pinksterbloemen, margrieten, kamille, lavendel, ijzerhard, vlinderstruiken, seringen, klimop, zonnebloemen, koninginnekruid en asters. En nog veel meer. Atalanta’s houden ook van overrijpe vruchten, dus laat afgevallen fruit van je fruitbomen vooral liggen.

2. Zorg voor afwisseling in je tuin

Vlinders oriënteren zich in een tuin op basis van de begroeiing. Hoe meer verschillende bloeiende planten, des te aantrekkelijker de tuin is voor een vlinder. De variatie geeft ook meer kans op de nectarplanten die bepaalde vlinders lekker vinden. Sommigen zijn wat kieskeuriger dan anderen. Zorg voor planten van verschillende hoogtes, met verschillende vormen, zoals schermbloemen en aren.

3. Kies specifieke waardplanten voor rupsen

Rupsen hebben een heel ander dieet dan vlinders. Vaak lusten ze maar Ă©Ă©n soort plant. Deze planten noemen we waardplanten. Dit woord is afgeleid van de waard in een herberg, die zijn gasten voorziet van een hapje en een drankje. De rups van het bruin zandoogje leeft voornamelijk van siergrassen. Die van het klein koolwitje voedt zich met koolplanten, zoals witte kool, boerenkool en raapstelen. Brandnetels zijn favoriet bij de rupsen van de atalanta en de dagpauwoog. De rupsen van de gehakkelde aurelia vinden hun voedsel in bijvoorbeeld de wilg, populier en de gladde iep. En die van het oranjetipje voeden zich voornamelijk met kruisbloemige planten, zoals pinksterbloemen en look-zonder-look. Klimop is juist weer favoriet bij de rupsen van het boomblauwtje.

4. Kies een hoekje waar je de natuur haar gang laat gaan

Brandnetels en distels zijn over het algemeen erg geliefd bij vlinders en rupsen. Dat geldt ook voor andere inheemse planten. Laat wilde planten gewoon opkomen, al is het ergens in een hoekje van de tuin.

5. Zaai een bloemenweide in

In het voorjaar kun je vast een speciale bloemenhoek voor vlinders inzaaien in je tuin. Zaai verschillende soorten door elkaar, liefst van biologische zaden als die van De Bolster. Niet alleen is zo’n bloemenweide een waar fijnproeversrestaurant voor vlinders, ook is het genot om naar te kijken in de zomer!

Bloemenweide

6. Zorg voor warmte

Vlinders zijn koudbloedig en hebben zonnewarmte nodig om zich op te laden. Plant nectarplanten op de zonnige plekjes in je tuin, liefst uit de wind. Ook kun je een bordje met rottend fruit neerzetten in het zonnetje.

7. Help vlinders overwinteren

Een groot deel van de Nederlandse vlinders blijft in de winter in Nederland. Ze overwinteren als eitje, pop of rups, bijvoorbeeld tussen afgevallen bladeren, in uitgebloeide planten of ergens in het gras. Maak je tuin dus vooral niet ‘winterklaar’, want in een opgeruimde tuin zijn er te weinig schuilplekjes te vinden. Sommige soorten overwinteren zelfs als vlinder, zoals de dagpauwoog en de gehakkelde aurelia. Ze verstoppen zich in schuurtjes of rommelzolders. Je kunt ze helpen door speciale vlinderkasten op te hangen.

8. Kies voor planten zonder pesticiden

Gelukkig zijn de regels voor het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen inmiddels strenger geworden. Wil je zeker zijn van planten in je tuin die geen schadelijke stoffen voor vlinders met zich meedragen? Kies dan bijvoorbeeld voor de planten van Hello Garden bij Steck. Deze zijn in samenwerking met de Vlinderstichting uitgekozen. Maar ook de klimplanten van Van der Starre, de eetbare planten van Stekkers en van Fruithof zijn allemaal zonder pesticiden gekweekt.

Wil je meer weten over vlindervriendelijke tuinen? Vraag dan het gratis digitale boekje ‘Tuinieren voor vlinders’ aan op de website van de Vlinderstichting.

Tips voor het aanleggen van een geveltuintje in Utrecht

Geveltuin in Utrecht

Als je in Utrecht woont, is de kans groot dat je geen voortuin hebt. Gelukkig kun je nog altijd een geveltuintje aanleggen. Een geveltuintje is niet alleen leuk voor het oog, je maakt er ook beestjes blij mee en vangt regenwater af. Dat is hard nodig, want door al die tegels in de stad kan het regenwater niet goed wegstromen. Bovendien zorgen geveltuintjes voor verkoeling in je huis en in je straat. Klinkt goed, toch? Aan de slag dus, lees gauw verder!

Hoe begin je?

Beginnen met een geveltuin is heel simpel: je licht een of twee rijen tegels uit de stoep, graaft een gat van 30 tot 45 cm diep en vult deze met tuinaarde. Daarna kun je gaan planten. De Gemeente Utrecht heeft een handig stappenplan geschreven voor het aanleggen van geveltuinen. Hier vind je ook een aantal voorwaarden waaraan je geveltuin moet voldoen (je mag er bijvoorbeeld geen hekje omheen zetten). En ook fijn: als je met een paar buren aan de slag gaat met het vergroenen van jullie straat, dan kun je er subsidie voor krijgen.

De beste planten voor een geveltuintje in Utrecht

De keuze van je planten hangt in de eerste plaats af van de hoeveelheid licht die je geveltuin vangt. Heb je meer dan 5 Ă  6 uur zon per dag op je gevel? Kies dan voor zonminnende planten. Schaduwplanten willen niet meer dan 2 uur zon op een dag. Alles daartussen noem je halfschaduw. Utrecht Natuurlijk heeft een mooi lijstje met mogelijke planten voor in je geveltuin, ingedeeld op lichtbehoefte.

De plantenlijst van de plantenbakcommissie Wittevrouwen is nog uitgebreider. Deze lijst is tot stand gekomen door jarenlange ervaring met het onderhouden van plantenbakken en geveltuinen in de straat.

Zelf vinden we lavendel, muurbloem en hemelsleutel heel geschikt voor een zonnige geveltuin en tippen we purperklokje en akelei voor in de schaduw. Denk ook eens aan bij- en vlindervriendelijke planten en/of aan eetbare planten! Op onze tuinplantenafdeling vind je allerlei opties.

Waarop let je bij het planten van je geveltuin

De grootste fout die de meeste geveltuinders maken, is te veel planten bij elkaar zetten. De plantjes zijn nog klein in het begin, maar als ze groter worden gaan ze elkaar beconcurreren. Grote kans dat de helft van je planten dan het loodje legt. Let dus op de plantafstand die het plantenlabel aangeeft. Dompel je nieuwe planten eerst even met de wortels onder water voor je ze in je tuin zet. En als je een klimplant kiest, kijk dan of deze geleid moet worden, of dat ie zichzelf vasthoudt aan je gevel. En snoei bijtijds!

Een laatste tip voor je nieuwe geveltuintje

Maak je een randje om je geveltuin, zorg dan dat deze aan de zijkanten laag is, zodat het regenwater van de stoep in je tuin kan lopen. Geef je planten op droge dagen in de zomer om de drie dagen water, dan houden ze het goed vol. Een mooi moment om ook een regenton aan te sluiten op je regenpijp! Zo help je nog beter met het opvangen van regenwater. Veel plezier met je geveltuin! 

In 5 stappen van een tegeltuin naar een groene stadsoase

Veel mensen denken dat een groene tuin veel meer werk is dan een tegeltuin, maar dit hoeft helemaal niet zo te zijn. Een border met veel vaste planten heeft relatief weinig onderhoud nodig. Als je de juiste planten maar op de juiste plek zet.

Een groene tuin heeft veel voordelen ten opzichte van een tegeltuin. Niet alleen is al dat groen veel leuker om naar te kijken, het is ook nog eens goed voor de biodiversiteit, het zorgt voor verkoeling in de zomer en het regenwater kan beter weglopen in een tuinborder. Een groene tuin is, kortom, een stuk klimaatvriendelijker. Dus waar wacht je nog op? Met de volgende 5 stappen tover je je tegeltuin om in een groene stadsoase!

Stap 1: Bepaal wĂĄĂĄr je tegels gaat wippen

Tegels vervangen door groen kan op allerlei plekken. Om te beginnen in je eigen tuin. Áls je er een hebt. Ook in een kleinere stadstuin kun je altijd wel ergens een border aanleggen. Heb je geen achtertuin? Overweeg dan om aan de voorkant van je huis een geveltuintje aan te leggen. Als je in een straat woont met bomen op de stoep, dan is het ook een optie om – in overleg met je buren en de gemeente – de boomspiegels te vergroten. Dit doe je door extra rijen tegels eruit te wippen. Op die vrijgekomen plek kun je een tuintje in maken.  Hier kun je lezen hoe je eenvoudig een gevel- of boomspiegeltuin aanlegt.

Stap 2: Tegels eruit

Een tegelvrije tuin begint natuurlijk met het eruit halen van de tegels. In deze blog lees je wat je met die tegels kunt doen. Vergeet je niet om het aantal tegels dat je hebt gewipt door te geven op de website van het NK Tegelwippen? Op die manier stimuleer je ook anderen zich aan te sluiten bij dit steengoede initiatief. Elk jaar doen er meer mensen mee en dat is een mooie ontwikkeling.

Stap 3: Graaf de zandlaag weg

Nadat de tegels zijn gewipt, blijft er waarschijnlijk een zandlaag over. Hier kunnen planten niet op groeien. Rol je mouwen maar op, want er moet gegraven worden. Graaf minimaal 30 centimeter uit (dat is stiekem meer werk dan je denkt, maar je kunt het). Het uitgegraven zand kun je afvoeren naar een afvalscheidingsstation. Die stations hebben meestal aanhangers of bakfietsen te huur, mocht je geen eigen vervoer hebben.

Stap 4: Vruchtbare grond erin

Als je de zandlaag helemaal weg hebt gegraven, dan meng je de laag grond daaronder met tuinaarde. Vanwege de aanwezigheid van tuinturf is tuinaarde een nogal een ‘zwaar’ product, vandaar dat je het moet mengen. De grond wordt dan luchtiger, wat beter is voor de waterhuishouding en het bodemleven. Een luchtiger (en milieuvriendelijker) alternatief is de tuinaarde van Bio Kultura: die bestaat uit aarde, compost en meststoffen. Lees hier meer over hoe je je bodem vruchtbaar houdt.

Stap 5: Beplanten

Als de bodem goed is voorbereid, komt het leukste gedeelte van je project: je planten kiezen en ze in de grond zetten! Daarbij is het slim om te kiezen voor vaste inheemse planten die op de bodem en het klimaat van jouw tuin zijn afgestemd. Hier lees je hoe je kunt achterhalen welke grondsoort je hebt (Let op: dat is dus niet de tuinaarde die je er net in hebt gekieperd, maar de laag eronder!).

Het is belangrijk om te weten hoeveel zon je in je tuin(tje) hebt. Heb je meer dan vijf à zes uur zon, dan kies je voor zonneminnende planten. Vangen de planten minder dan twee uur per dag zon? Dan zet je er schaduwplanten in. Alles daartussen heet ‘halfschaduw’. Op het plantenlabel kun je zien hoeveel zon een plant nodig heeft. Vaste planten die op de goede plek staan (qua grondsoort en zonlicht) hebben het minste onderhoud nodig. Zij zullen ook het beste groeien. Dit kunnen overigens ook eetbare planten zijn! Laten we daar nu ook goede tips voor hebben.

Uiteindelijk is het de bedoeling dat de hele bodem bedekt is door planten. Op die manier droogt de bodem minder snel uit en heeft onkruid minder kans om te verspreiden. Hou je bij het aanplanten wél aan de aanbevolen afstand die op het plantenlabel staat, want die kleine plantjes die je er nu in zet, zijn over een paar maanden al een heel stuk groter! Je planten op de juiste afstanden van elkaar inplanten, betekent later echt minder onderhoud. Bodembedekkers verspreiden zich over de bodem en zullen de gaatjes tussen andere planten opvullen. Populaire bodembedekkers zijn de ooievaarsbek, maagdenpalm of de wintergroene klimop. Of vraag een medewerker van Steck voor meer tips.

Tenslotte (nogmaals): geef het aantal gewipte tegels door op de website van het NK Tegelwippen! Hiermee stimuleer je ook andere mensen hun bijdrage te leveren aan een groenere stad.

Weet jij welke grond er in je tuin ligt?

Alles over grondsoorten in Nederland, hoe je erop tuiniert en over welke grond je in je tuin hebt

Alles begint bij de ondergrond. Niet iedere plant kan overal groeien en daar speelt vooral de bodemsoort een belangrijke rol bij. Geen groen zonder gezonde grond. Je vindt in Nederland grofweg 4 grondsoorten waarop je kunt tuinieren: veen, klei, zand en löss. In deze blog lees je hoe het zit met de grond in jouw (achter)tuin.

De kwaliteit en eigenschappen van de grond bepalen de plantengroei. De planten hebben dan weer invloed op hoeveel organisch materiaal aanwezig is in de bodem. En dat organische materiaal bepaalt de mate van bodemleven in je tuin. Eerder schreven we al over het belang van bodemdieren in je tuin: hier speelt de grondsoort dus ook een belangrijke rol. Een gezonde bodem heeft een gezond bodemleven.

Hoe zit het met mijn grond?

Pure grondsoorten, zoals hieronder beschreven, kom je in de meeste tuinen niet tegen. Door het afgraven en weer aanvoeren van grond wijkt de bodemsoort vaak af van de natuurlijke omgevingsbodem. Ook binnen de vier bekendste grondsoorten van ons land zijn verschillende samenstellingen mogelijk. Zo kan klei veel of weinig zanddeeltjes bevatten. 

Hoe weet je welke grondsoort in in je tuin ligt? Door het houden van een simpele bodemtest:

  1. Maak wat grond in je tuin vochtig, maar niet te nat. De grond mag niet aan je vingers plakken.
  2. Neem op 10-20 cm diepte met een eetlepel een schepje grond uit je tuin en probeer deze te kneden in je handen.
  3. De vorm die het kneedsel aanneemt, vertelt je grofweg met welke grondsoort je te maken hebt.

Zandgrond vormt zich tot een bergje op je hand, klei laat zich daarentegen heel makkelijk tot een gladde plak kneden. Veen is zo broos dat het tot niets te kneden valt en direct uit elkaar brokkelt. Hieronder kun je per bodemsoort lezen welke eigenschappen deze heeft en hoe je er het beste op tuiniert.

De ideale tuingrond

Als je achter op een zak tuin- of potgrond kijkt, zie je dat deze vaak bestaat uit een mengsel van grondsoorten. Veel mixen bevatten veengrond voor het vasthouden van water, gemengd met zand voor structuur en compost voor voeding (en dus bodemleven). Als je eenmaal weet welke grond er in je tuin ligt, kun je deze optimaliseren voor je planten door te kijken naar de natuurlijke eigenschappen die hieronder per grondsoort beschreven staan.

Wil je betere afwatering in je kruidentuintje? Voeg dan wat zand (en gruis) toe aan de bodem. Wil je juist water langer vasthouden? Voeg dan wat klei of veen toe aan de grond. Juist door soorten te mengen kom je vaak tot een ideale voedingsbodem voor plantengroei.

Utrechtse bodem

Hiernaast zie je de grondsoortenkaart van Nederland van de universiteit van Wageningen. Zoals je ziet, komt er een mengelmoes van grondsoorten voor in de provincie Utrecht. Rondom de stad Utrecht vind je zowel klei, veen-, als zandgronden. Wat dat betekent voor het laten groeien van planten vertellen we je hieronder per grondsoort.

1. Veen – Frisse, natte spons

  • Kleur: donker, bijna zwart
  • Structuur: sponsachtig
  • Voordelen: nauwelijks water geven, makkelijk te bewerken
  • Nadelen: zuurstofarm, weinig mineralen
  • Komt voor in: kleine gebieden door heel Nederland
  • Ideaal voor: zuurminnende planten als Rododendrons en Hortensia’s

Veen is een opeenstapeling van compact, organisch materiaal en ontstaat in gebieden waar het grondwater hoog staat, waardoor grote hoeveelheden ijzer aan de oppervlakte komen. Hierdoor hopen plantenresten zich op die maar heel langzaam composteren door het lage zuurstofgehalte in het aanwezige roestwater.

Gedroogd veen is goed brandbaar. In de middeleeuwen is men daarom begonnen met het winnen van turf (gedroogd veen). Er is nog maar weinig veen over in Nederland. Heel veel grasland waar koeien nu op grazen was ooit veenmoeras. Tegenwoordig is veel oorspronkelijk veenlandschap bedekt met jonge klei.

Bron: Verantwoorde veenhouderij | Twee grote kluiten veengrond waar je nog duidelijk plantenresten in terug ziet

Tuinen op veengrond zijn vaak nat en zompig. Ook verzakt veengrond snel, zeker nu door onze droge en hete zomers het grondwaterpeil daalt. Huizen verzakken hierdoor sneller, met grote schade tot gevolg. Wie tuiniert op veengrond zal vaak zijn tuin moeten ophogen. Planten en bomen wortelen ondiep op veengrond, omdat ze nooit verdergaan dan het grondwaterpeil (want daar kunnen ze geen zuurstof halen).

2. Klei – Zware jongen vol voedingsstoffen

  • Kleur: donker
  • Structuur: zwaar en compact
  • Voordelen: houdt voedingsstoffen en water goed vast
  • Nadelen: wortels kunnen er moeilijk in groeien, wordt hard bij uitdroging, lastig om te bewerken
  • Komt voor in: kustgebieden (zeeklei), Betuwe (rivierklei)
  • Ideaal voor: snelgroeiende gewassen als maĂŻs en suikerbieten

Klei kan makkelijk water vasthouden. Het laat zich uitsmeren zodra het nat wordt. Het kan ook voedingsstoffen makkelijk aan zich binden, omdat het elektrisch geladen is. Er vinden veel (chemische) reacties plaats, wat ervoor zorgt dat er ontzettend veel mineralen en andere voedingsbronnen worden vastgehouden. Leg je klei onder een microscoop dan zie je dat het bestaat uit op elkaar geplakte laagjes vanuit chemische samenstellingen. 

Bron: Better Organix | Klei bestaat uit vele ‘schijfjes’ zoals goed te zien is onder de microscoop

Tuinieren op kleigrond kan een hele uitdaging zijn. Kleigrond is heel erg zwaar en houdt water lang vast, maar laat ook slecht nieuw water toe. Doordat het zo compact is, is het ook moeilijk te bewerken en hebben veel planten moeite om te wortelen in de soms ondoordringbare grond. Dit gebeurt vooral als er weinig organisch materiaal in de bodem zit. Als klei uitdroogt kan het keihard worden, je hebt vast weleens die kenmerkende scheuren in de grond gezien op het boerenland. 

Wil je gebruikmaken van de voedzame eigenschappen van kleigrond, dan moet je zorgen voor een goede afwatering. Je wil niet dat planten te lang met hun wortels in het nat staan. Op kleigrond komen vaak ook lastig te verwijderen onkruidsoorten voor, zoals kweek(gras), zevenblad en heggewinde. Is tuinieren op kleigrond dan alleen maar ellende? Zeker niet, Tuinseizoen geeft een aantal slimme tips.

3. Zand – Luchtige allesgroeier met verzorgingsbehoefte

  • Kleur: licht
  • Structuur: licht van structuur, korrelig
  • Voordelen: goed waterdoorlatend, makkelijk te bewerken
  • Nadelen: houdt weinig voedingsstoffen en water vast, schrale grond
  • Komt voor in: Noord-Limburg, Noord-Brabant en de Achterhoek
  • Ideaal voor: vrijwel alle soorten gewassen en planten, mits er genoeg water en voeding wordt gegeven

Zand is niets anders dan volledig uit elkaar gevallen steen. Daar gaat een enorm lang proces aan vooraf: stenen verweren door vorst en dooi, maar ook doordat ze botsen in snelstromende rivieren. Na duizenden malen herhaling van deze processen houd je grove zandkorrels over. Zand heeft een hele losse structuur en is van nature schraal en voedingsarm. Toch kun je prima dingen laten groeien op zandgrond door meststoffen en water toe te voegen.

Planten en gewassen die graag de diepte in groeien, zoals wortelknollen en wortelgewassen doen het heel goed op zandgrond. Ze kunnen ongestoord naar beneden groeien, omdat de grond vrij is van stenen en andere ‘blokkades’. Het is ook heel makkelijk om te oogsten op zandgrond: je haalt de groentes zo los uit de grond zonder deze te beschadigen. Ideaal ook voor asperges, die niet voor niets vooral op zandgronden geteeld worden.

Bron: 1Limburg | Asperges groeien niet voor niets op zandgronden. Ze kunnen hierin makkelijk wortels vormen en gestoken worden zonder te beschadigd te raken.

Tuinieren op zandgrond vraagt vooral om wat zorg en aandacht. Water spoelt snel weg, dus zeker in de zomer zul je vaak moeten sproeien. Ook raakt de grond snel uitgeput, waardoor je regelmatig compost of andere voedingsstoffen moet toevoegen aan de bodem. Meer tips voor het verbeteren van zandgrond vind je in het overzicht van Velt. 

4. Löss – De fijnste van het stel

  • Kleur: bruin
  • Structuur: zacht, bevat veel voedingsstoffen
  • Voordelen: compact, houdt makkelijker voeding vast
  • Nadelen: komt vrijwel nergens voor in Nederland
  • Komt voor in: Zuid-Limburg
  • Ideaal voor: vrijwel alle soorten planten en gewassen

Löss is heel fijn zand. Je vindt het maar in een klein deel van Nederland, van Maastricht tot Sittard. De grond is afkomstig van de bodem van Noordzee, toen deze nog droog stond. De grond is door de wind verspreid en is als het ware tegen de Limburgse heuvels ‘blijven plakken’. In dit gebied zijn de eerste boeren van Nederland 7000 jaar geleden terechtgekomen vanuit Oost-Europa en hier begonnen met de hedendaagse landbouw. 

Löss is heel compact en houdt daardoor, in tegenstelling tot ander zand, goed voedingsstoffen vast. Ze spoelen minder snel uit, wat het voor de akkerbouw ideaal maakt om op te verbouwen. Het voelt erg zacht aan.

Bron: Geoproeven | Löss is heel fijn zand en is daardoor heel compact

De smaak van de bodem

Nu weet je welke grondsoort je in je tuin hebt, en hoe je er het beste op kunt tuinieren. Maar wist je dat je de grondsoort ook kunt prĂłeven in het eten dat er op geteeld wordt? In het NPO-programma Joel Lokaal gaat culinair journalist JoĂ«l Broekaert op zoek naar de ‘terroir’ Nederland. Een aanrader voor wie meer wil weten over de invloed van onze bodemsoorten op de smaak van ons voedsel.

4 poedelnaakte tuinhulpjes voor een gezonde en voedzame bodem

Bodemdieren_tuinhulpjes_blog_Steck

Ieder jaar vindt op de eerste zaterdag van mei de ‘Internationale dag van het naakt tuinieren’ plaats. In eigen tuin is naakt tuinieren zeker toegestaan, maar voor wie liever de kleren aanhoudt, wist je dat er elke dag van het jaar naakte tuinders voor je aan het werk zijn? Ontmoet vier poedelnaakte tuinhulpjes: regenworm, naaktslak, pissebed en duizendpoot. Lees waarom deze – door sommige mensen als vieze beestjes bestempelde – diersoorten onmisbaar zijn voor een gezond bodemleven in je tuin.

In het voorjaar storten mensen zich enthousiast op het inzaaien van borders, potten en moestuinen. Maar voordat er ĂŒberhaupt wat te zaaien – en laat staan te oogsten – valt, is het belangrijk om te kijken naar de vruchtbaarheid van de grond. Wie wil genieten van een groene oase rondom het huis, heeft naast licht en water nog iets belangrijks nodig: voedingsstoffen. 

Bodemdieren leven net boven of onder de grond en zetten samen met bacteriën en schimmels afvalstoffen om in voedingsstoffen voor planten. Hiermee krijgen planten voldoende binnen om sterke wortels te maken, frisgroen blad te geven en tot bloei te komen. Deze circle of life herhaalt zich continu en elk bodemdier draagt op zijn eigen manier een steentje bij.

Regenworm: de luchtige bemester 

De regenworm is een ontzettend harde werker die jou op verschillende manieren te hulp schiet. Hoe de worm dat doet? Wormen breken organische materialen af en creëren zo humus voor je bodem. Terwijl ze zich voortbewegen door de bodem, leggen ze tunnels aan waardoor gewassen beter hun wortels kunnen vormen. En dat zonder die planten aan te tasten. Des te meer wormen je ziet, des te meer voeding er in je grond aanwezig is.

Bodemdieren in actie

Naaktslak: krachtpatser met een tong vol tanden

Dit bodemdier wordt vaak als plaag beschouwd en kan dat in sommige gevallen ook zijn. Maar deze allesbehalve kieskeurige veelvraat doet ook veel goeds voor je tuin. Op zijn tong verstopt de naaktslak tot wel 25.000 tanden. Hier eet hij in een dag tijd tot wel de helft van zijn eigen lichaamsgewicht op. Hij ruimt hiermee ook dode plantenresten op en woelt de aarde om. Naaktslakken zijn kwetsbaarder dan andere slakken, waardoor je ze soms alleen onder de grond tegenkomt.

Pissebed: meester van de recycling

De ruwe- en rolpissebedden komen het vaakst voor in onze (achter)tuinen. Ze houden zich meestal schuil in de bovenste laag van de bodem, ofwel: de strooisellaag. Hier doen ze zich tegoed aan rottend hout en bladeren. Hun uitwerpselen vormen nieuwe voedingsstoffen. Zo helpen pissebedden bij de afbraak en opname van koolstof en stikstof voor planten. Is er niet genoeg dood materiaal aanwezig, dan houden ze zich in leven met wortels van levende planten. Laat plantresten dus vooral liggen. 

Duizendpoot: veelpotige vermaler

Nee, duizend poten heeft ‘ie niet. Ongeacht zijn ietwat verwarrende naam kun je maar wat blij zijn dat dit veelpotige dier zich schuilhoudt tussen je planten. Duizendpoten voeden zich graag met rottend plantmateriaal, zoals afgevallen bladeren en andere resten. Ook zorgen zij voor het omwoelen van en het lucht toevoegen aan je bodem. Ze werken razendsnel, waardoor je organische groene afval snel wordt omgezet in een voedingsboost voor je tuin of balkon. Je vindt duizendpoten terug op de meest vochtige plekjes in de tuin, ze kunnen slecht tegen droogte.

Vier de bodembeestjes!

Kom je tijdens het werken in de tuin flink wat bodemdieren tegen? Geweldig! Help ze hun werk te doen door je tuin niet al te netjes te houden. Laat bladeren, uitgebloeide planten en ander organisch materiaal gerust liggen. Dit opruimteam gaat voor je aan de slag en geeft je er een gezonde en voedzame bodem voor terug. Wil je meer weten over wat er zich allemaal in de bodem afspeelt? Dan is de documentaire ‘Onder het maaiveld‘ een aanrader.

Oh en voor wie graag ook zelf met de billen bloot gaat in de tuin op de dag van het naakt tuinieren… wel even opletten voor de brandnetels en wespennesten.